Als door de bliksem getroffen ging Maria door de knieën en begon op de vloer te huilen van spijt en berouw. Een voorbijganger meende met een bedelares te doen te hebben en schonk haar drie muntjes. Daar kocht ze drie broden van. Die moesten in haar levensonderhoud voorzien, nu zij had besloten de rest van haar leven door te brengen in de woestijn aan de overkant van de Jordaan. Ze bracht er zevenenveertig jaren door in boete en berouw, zonder dat zij nog iemand ontmoette. Maar na een halve eeuw werd zij bij toeval ontdekt door een monnik, die Zosimus heette († 440; feest 4 april). Hij bracht haar de communie. Maria smeekte hem over een jaar terug te komen. Toen het zover was, bleek zij gestorven. Hij trof haar languit liggend aan. In het zand naast zich had Maria de boodschap nagelaten dat ze graag begraven wilde worden. Terwijl Zosimus zich over dit alles stond te verwonderen kwam er een leeuw die met zijn klauwen voor de heilige vrouw een graf begon te graven. >> lees verder…
|